Tuesday, 7 May 2013
5. 8-9 April / Sleeping among Gods.
Als kind had ik al een grote voorliefde voor ongewone tijdstippen. En dat heb ik nog steeds. De nacht en de vroege ochtend zijn mijn favoriete momenten. Daarom kan ik ook zo goed tegen nachtvluchten en jetlags. Om de een of andere reden zie ik daar de romantiek van in. Ik voel me helemaal vrij. Niemand is nog wakker en die stille, wat koude donkerte - dat tussenmoment in de tijd - heeft voor mij iets ongekend intiems en veiligs.
Om 5 uur op Schiphol landen en over een stille Marnixstraat naar huis lopen en te weten dat ik een paar uur later weer op weg ben naar Japan, is het mooiste moment van mijn reis. Ook hier op Shikoku wordt ik, gewild en soms ongewild, een 'bewoner van de tussentijd'. Met soms ongewone ervaringen ten gevolg.
Tijdens deze pelgrimage wandel ik per dag zo'n 30km. Als ik aankomt bij mijn hotel, kampeerplaats of rusthut, is het meestal tegen 5en. Ik stop dan omdat ik en mijn jankende lijf volledig op zijn, maar ook omdat het donker begint te worden. Iedereen die kampeert weet dat je voor donker moet opzetten. Bovendien wordt het snel koud, zeker hoger in de bergen. En dan nog een windje erbij.. Afijn, slaap ik in een hotel, dan neem ik direct een bad en op de kamping hang ik boven een koude kraan in een publiek toilet stoer te doen. Daarna, in een hotel, eet ik mijn noedels, salade, pinda's, weggespoeld met green-tea en kamperend een koude rijsthap met cola. Na het draaien (of handwassen) van de gedragen kleren schrijf ik heel snel mijn dagboek. Dat moet echt op dat moment, want de volgende ochtend is die harde schijf volledig gewist en zijn zoveel andere zaken belangrijker. Dus, meteen dan maar. Maar dat is even moed verzamelen want mijn lijf is zwaar aan het protesteren; eerst 30km raggen, dan al dat eten verwerken en nou ook nog het brein focussen? Donder op! Uiteindelijk wordt uitstel van het crash-moment wel in overweging genomen, maar constructief meewerken aan naleving van het compromis is er dus niet bij (mijn dagboekaantekeningen zijn altijd erg kort en als ik ze terug lees begrijp ik er geen zak van). Daarna is het echt helemaal gedaan.
Maar.. het pas 7 uur, nog een beetje licht, langsrazende forenzen, kinderen spelend op de kampeerplaats etc.. Aangezien ik geen internet, films, series of andere visuele vertragers heb kom ik dus, gaandeweg de reis, in het normale, natuurlijke ritme van onze voorouders terecht: slapen wanneer het donker wordt. En dus opstaan wanneer het licht is - meestal zelfs eerder. Het klinkt voor avondmensen als een gruwel, maar het gaat echt gewoon vanzelf.
Mijn eerste nacht - die memorabel is - is er zo een. Ik kom aan bij tempel 8. Een mooie tempel tegen een berghelling. Veel bomen en veel stenen goden. In de tempelwinkel vraag ik naar hun Tsuyado - een pelgrims-slaapplaats op het terrein van een tempel. De dienstdoende kale monnik kijkt moeilijk. En ik zie het al: achterhaalde info op internet, Tsuyado is niet meer. Ik zet mijn vertwijfelde gezicht op. En dat werkt goed bij die Japanners want die kunnen het niet aan dat ze voor jou probleem geen oplossing hebben; een cultureel dingetje waar je dus allerlei zaken handig mee kunt regelen. 'Misbruik' noemen sommigen dat. Ik noem het gewoon: 'moet-je-maar-over-je-culturele-schaduw-heenstappen-niet-mijn-probleem'. Ik blijf dus wat 'het-is-eind-van-de-middag-waar-moet-ik-nu-nog-heen?'-achtig kijken en ja hoor, de monnik staat op en loopt met mij mee omhoog het tempelterrein op. Echt, je kunt van die Japanners alles zeggen, maar ze persen uit de meest hopeloze situatie nog een oplossing.
De nog enkele bezoekers - het is tegen sluitingstijd - kijken wat verbaast als de monnik met mij en mijn rugzak naar de gong-toren loopt. Het is een indrukwekkend gevaarte dat daar uit de bosjes opdoemt; een soort van taps toelopende bouwerk, van donker hout gemaakt, erg oud, dat op de eerste verdieping een gong heeft, een reusachtig ding. De monnik opent een gammel deurtje; je moet bukken om naar binnen te kunnen. Het begint al te schemeren maar als ik naar binnen kijk ontwaar ik nog net een kleine vierkante ruimte. De helft daarvan wordt door opgestapelde dakpannen in beslag genomen en de andere helft ligt bezaaid met keutels van een onbekend beestje. De monnik wijst naar die plek en zegt: 'sleeping-place?' Ik slik. Hij ziet mijn lichte paniek en vervolgt:
'Or camping here?' Hij wijst naar buiten, naar het pad waar de toren aan ligt; een pad dat terras-gewijs van beneden af uiteindelijk naar het gebouw van de hoofdgod leidt en omringt is door zo ongeveer elke sub-god die Japan heeft uitgevonden. Ik slik twee keer. Dat dus fucking nooit hè, dat pad is het centrale gebeuren hier en staat stijf van de 'energie'. Daar een beetje midden op gaan staan met mijn tent? Ben daar gek, zeg. Hier komen elke nacht hele colonnes overleden goden langs wandelen, dwars door mijn tent heen. Geef mij die keutels maar. Trouwens, ik heb in dat gong-gebouw een trap gezien en die ga ik verkennen. Ik bedank mijn kale vriend, verdwijn onder het nog steeds verbaasd kijkende publiek in het donkere gebouwtje en klim omhoog.
Damn, it is good to be right! Ik kom uit op de eerste verdieping - nou ja, 2.5 bij 2.5 of zo - en boven het gat waar ik uit te voorschijn kom hangt die enorme gong. Maar om het gat heen is een houten 'trans' met aan beide zijden een omheining natuurlijk. Ondanks het feit dat ik eigenlijk 'buiten' lig (boven de gong hangt alleen maar een soort afdakje) en al die godenbeelden mij aanstaren en ik naast mij in een diep, donker gat kijk.. ondanks dat alles kan ik hier wel slapen. Ik rol mijn mat uit, eet nog snel wat en terwijl het donker wordt en er geen hond meer te bekennen is, ga ik mij daar tussen de bomen en de goden, klaar maken voor de nacht.
Als je 30km wandelt per dag, in de hete zon, valt daar niet tegenop te drinken, hoe vaak je die bidon ook aan je lippen zet. 's Avonds heb ik in ieder geval een dorst dat het niet normaal is. Thuis drink ik nooit cola, maar hier weet ik niet hoe snel ik mijn lippen aan zo'n heerlijk koud flesje moet zetten. Dan gaat er nog een hele bidon water langs mijn kwijnende huig en als het even kan nog twee potten green tea. Geen flauw idee waar ik het allemaal laat maar het gaat maar door. Gevolg: nachtelijk toiletbezoek - of als ik kampeer: 'struikbezoek' - en vaak wel twee keer. In een hotel: geen probleem, maar kom buiten maar eens uit die lekkere warme slaapzak (of die keer in een door lokale mensen opgezet rusthuisje voor pelgrims (Zenkonyado), totaal struik- en toiletloos (de eerste struik was 30 meter verderop), waar ik toen maar uit het raam heb gehangen, maar daar voel ik me nog steeds schuldig over hoor!). Omdat ik nu op een tempelcomplex slaap, waar ik geen toilet kon ontdekken - en als het er al is, is het zo'n goede 300 meter down the hill, ja doei - lig ik om een uur of half drie te woelen en te draaien, maar dat maakt het alleen maar erger. Ik moet vreselijk nodig, maar ik zal het eerlijk toegeven: ik ben zwaar onder de indruk van al die beelden, die ik vanaf mijn trans zo recht in het gezicht zit aan te kijken. ik moet dus die donkere ladder af en slalommend door de keutels dat verrotte deurtje opendoen - hallo goden en godinnen - en dan maar in het pikkedonker tegen een boom staan sassen.
Uiteindelijk heb ik geen keus en weet je, dan kan ik dat ook weer afstrepen en on top of it: wie doet me dit na? Terwijl ik tegen een of andere heilige boom mijn ding doe besef ik opeens dat op datzelfde moment andere mannen van mijn leeftijd hun kind naar bed staan te brengen, de was doen, of desperate staan te flirten met de trainster in de sportschool om de hoek, terwijl ik even 45 dagen vrij neem, het vliegtuig pak en om 2.30am op een Japans eiland, op een nachtelijk tempelterrein, tussen Boeddha en co, met mijn leuter in de vrije wind sta.
Vrijheid.
Of dan tempel 6 - dat was vorig jaar - waar ik midden in de nacht, met volle maan, naar een klein vijvertje met Bonzai-boompjes sta te kijken, terwijl ik zweer in het zilveren licht allerlei Japanse natuurwezentjes te zien en gelukzalig naar twinkelende sterren lach..
Of die Tsuiyado bij tempel 35, een tempel in de bergen, die uitkijkt over zoveel kustlijn, dat ik - letterlijk - een week terug kan kijken. Terwijl in Nederland mensen chagrijnig in de vroege avondspits staan, kijk ik uit over het dal, de stad en de zee, inhaleer de avondlucht, neem een video op voor mijn geliefde en voel me vrij.
Ik bedoel dit allemaal niet zo van: 'Kijk mij eens', want ook ik kom uiteindelijk thuis en moet mij onderwerpen aan de dingen die gedaan moeten worden. Maar ik heb mijn leven in ieder geval zo geleefd tot nu toe, dat ik dit alles dus gewoon doe. Ik lever daar een grote auto, fancy huis en een jong gestart gezin voor in. Maar dit soort magische momenten van ontroering en onderwerping aan de schoonheid van deze planeet bevredigen mij diep. En natuurlijk, dit delen met een geliefde en eventueel kinderen, is vele malen mooier en dieper. En daar kijk ik ook naar uit.
Het eind van het verhaal is, dat ik om 3.30am wakker wordt - zo uitgeslapen als een hoentje - en opeens de dringende behoefte voel hier zo snel mogelijk weg te wezen. De slaap heeft mij ontnuchterd en ik lig verdorie boven in een houten toren, midden in de nacht, in een slaapza, in een mijnenveld van spirituele energie. Ik heb nog geen uur geleden hun territorium lopen domineren dus het is tijd om op te stappen. Eerst een uur gedoe en gepak op een kleine en pikdonkere reling, want juist nu, ja dus echt uitgerekend nu doet goddomme mijn flashlight het niet en mag ik geen 'goddomme' zeggen hier. Maar kom op, zeg, dat moet mij toch weer over.. (o ja, en ik mag als pelgrim ook niet klagen). Dan trappetje af, fuck de keutels en ik ben weg.
Als ik aan het eind van het pad beneden, onder de machtig grote houten poort doorloop, kom ik weer bij zinnen. Ik kijk naar de twee poortwachters, die aan beide zijden van de poort achter een hekwerk staan, versteend in een woeste emotie en Ik besef dat ik vannacht onderdak heb gekregen. Ik maak een diepe buiging en bedank Kobo Daishi voor de slaapplek en de mooie ervaring.
Het gekke is dat ik zeker weet dat hij mijn dankbaarheid voelt.
Friday, 3 May 2013
4. Loslaten
Er zit wijsheid in de opbouw van deze pelgrimage. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want hij is meer dan 1000 jaar oud, dus de slijpsteen van de tijd heeft hem tot een werkelijk 'mentale reis' gemaakt. Het is geen wandeling van A naar B waarbij je even 88 tempels aandoet. De afstand tussen de tempels, de keuze om de pelgrim te laten klimmen of niet, de landschappen waarin hij loopt, alles draagt bij aan een soort 'cadans' die ik de eerste keer al voelde, maar nu weer en waar ik mij graag aan overgeef, want het doet iets met me.
Bijvoorbeeld: het eerste parcours vind plaats op vlak land en de tempels staan dicht bij elkaar. Als je daar twee dagen over doet, kun je lekker 'tempel-oefenen' zal ik maar zeggen en bovendien kun je de beentjes warmlopen. Sommigen - ik dus - denken dan: 'Nou dat doe ik wel even. die pelgrimage, dat is wel mijn ding'. Maar de derde dag wordt je zwaar gefucked, want je gaat, bij tempel 11 opeens over een afgstand van13km 600 meter de hoogte in, waarbij je tussendoor dus wel lekker 4 keer stijgt en 3 keer daalt. Je hemstrings lopen te kermen, je hijgt als een volwassen beer en tegen de tijd dat je bij de 12de tempel, hoog in de bergen bent, weet je het: dit gaat zwaar worden, ik zeg al niets meer.
Op tweederde van die helse klimpartij - die door velen als de ergste van de tocht wordt beschouwd - is er een moment dat ik voor de derde keer een stuk berg beklim - 'beklauter' is tegen die tijd een betere uitdrukking - en ik besef, dat er nog een derde afdaling volgt en een laatste helse klimpartij gewoon daar achteraan komt. Opeens realiseer ik me dat mijn z.g. 'vrolijke anticiperen' op alles wat ik tot nu toe meemaak geen professionele tactiek is van de geoefende hiker - die ik helemaal niet ben - maar dat de controller in mij stiekem zijn werk doet. En die verliest op dit moment zijn zeggenschap. Er valt namelijk geen ruk te controleren, want wat hier gebeurt is volledig onvoorspelbaar en ik heb maar af te wachten hoe lang ik pijn moet lijden. Op dat moment, precies dan, kom ik bovenaan en tussen de brandende waas van het zweet in mijn ogen verschijnt opeens een stenen trap. Een stuk of 50 oude treden op de schaduwzijde van de berg. Wat mij op dat moment ontroert is dat bovenaan die trap, beschut door een reusachtige boom, een levensgroot beeld van Kobo Daishi mij staat aan te kijken. Ik hebt zijn beeltenis al een aantal keren gezien in de tempels - jas aan, hoedje op, matje op de rug; de 'reis-heilige' - en nu kijkt hij me opeens aan met zo'n blik van: 'Begrijp je het nu, Ingmar? Onwillekeurig mompel ik: ,Oke, I got it'. Maar oh, zoete slimmigheid van het ego... Ik ben nog steeds de held in mijn eigen theater en er zullen momenten in de tocht komen, die nog veel zwaarder gaan uitpakken. Ik begrijp er gewoon nog helemaal niets van.
Ik leer op deze pelgrimstocht dat elk moment dat ik denk dat ik het proces begrijp, of een inzicht heb in hoe ik met mijn lijf moet omgaan; elke keer dat ik denk de controle te hebben, dat er dan iets gebeurt, iets onverwacht, dat mijn verwachtingen onderuit haalt. Dus ik leer door de weken heen, elke keer dat ik een verwachting uit spreek 'Oke Kobo Daishi, wellicht' er bij te zeggen.
Het is de kunst van het loslaten. Ik leer dat op deze reis. Een van de eerste keren dat dit besef voortijdig in mijn bewustzijn komt, is als ik bij tempel 11 aan die kwelling begin. Ik leer na 3 bochten (de moed zinkt mij bij elke nieuwe bocht meer in de schoenen) een gouden regel, die mij bij alle volgende beklimmingen goed zal helpen: kijk niet omhoog. Ik loop. Met mijn zware bagage. Ik zweet, mijn voeten doen pijn en mijn knieën steken. Ik heb dorst en ik heb geen zin meer. Door niet omhoog te kijken, vergeet ik dat ik nog verder moet en ik beland in het moment; hoe zet ik mijn voeten neer? Hoe haal ik adem? Wat is het ritme van mijn stappen? Hoe plaats ik mijn voeten op de diverse rotsblokken? Hoe is mijn houding en praat ik vooral niet in mijzelf? Dit zijn essentiële checkups, die ik alleen maar bewust ben door 'boven' te vergeten. Ik laat de controle over het parcours los en opeens ben ik 'vrij'.
Ik voel me bovenaan gekomen echt gelouterd. Ik zweet minder, ben minder moe en kijk niet meer op tegen zo'n zware beklimming.
Bijvoorbeeld: het eerste parcours vind plaats op vlak land en de tempels staan dicht bij elkaar. Als je daar twee dagen over doet, kun je lekker 'tempel-oefenen' zal ik maar zeggen en bovendien kun je de beentjes warmlopen. Sommigen - ik dus - denken dan: 'Nou dat doe ik wel even. die pelgrimage, dat is wel mijn ding'. Maar de derde dag wordt je zwaar gefucked, want je gaat, bij tempel 11 opeens over een afgstand van13km 600 meter de hoogte in, waarbij je tussendoor dus wel lekker 4 keer stijgt en 3 keer daalt. Je hemstrings lopen te kermen, je hijgt als een volwassen beer en tegen de tijd dat je bij de 12de tempel, hoog in de bergen bent, weet je het: dit gaat zwaar worden, ik zeg al niets meer.
Op tweederde van die helse klimpartij - die door velen als de ergste van de tocht wordt beschouwd - is er een moment dat ik voor de derde keer een stuk berg beklim - 'beklauter' is tegen die tijd een betere uitdrukking - en ik besef, dat er nog een derde afdaling volgt en een laatste helse klimpartij gewoon daar achteraan komt. Opeens realiseer ik me dat mijn z.g. 'vrolijke anticiperen' op alles wat ik tot nu toe meemaak geen professionele tactiek is van de geoefende hiker - die ik helemaal niet ben - maar dat de controller in mij stiekem zijn werk doet. En die verliest op dit moment zijn zeggenschap. Er valt namelijk geen ruk te controleren, want wat hier gebeurt is volledig onvoorspelbaar en ik heb maar af te wachten hoe lang ik pijn moet lijden. Op dat moment, precies dan, kom ik bovenaan en tussen de brandende waas van het zweet in mijn ogen verschijnt opeens een stenen trap. Een stuk of 50 oude treden op de schaduwzijde van de berg. Wat mij op dat moment ontroert is dat bovenaan die trap, beschut door een reusachtige boom, een levensgroot beeld van Kobo Daishi mij staat aan te kijken. Ik hebt zijn beeltenis al een aantal keren gezien in de tempels - jas aan, hoedje op, matje op de rug; de 'reis-heilige' - en nu kijkt hij me opeens aan met zo'n blik van: 'Begrijp je het nu, Ingmar? Onwillekeurig mompel ik: ,Oke, I got it'. Maar oh, zoete slimmigheid van het ego... Ik ben nog steeds de held in mijn eigen theater en er zullen momenten in de tocht komen, die nog veel zwaarder gaan uitpakken. Ik begrijp er gewoon nog helemaal niets van.
Ik leer op deze pelgrimstocht dat elk moment dat ik denk dat ik het proces begrijp, of een inzicht heb in hoe ik met mijn lijf moet omgaan; elke keer dat ik denk de controle te hebben, dat er dan iets gebeurt, iets onverwacht, dat mijn verwachtingen onderuit haalt. Dus ik leer door de weken heen, elke keer dat ik een verwachting uit spreek 'Oke Kobo Daishi, wellicht' er bij te zeggen.
Het is de kunst van het loslaten. Ik leer dat op deze reis. Een van de eerste keren dat dit besef voortijdig in mijn bewustzijn komt, is als ik bij tempel 11 aan die kwelling begin. Ik leer na 3 bochten (de moed zinkt mij bij elke nieuwe bocht meer in de schoenen) een gouden regel, die mij bij alle volgende beklimmingen goed zal helpen: kijk niet omhoog. Ik loop. Met mijn zware bagage. Ik zweet, mijn voeten doen pijn en mijn knieën steken. Ik heb dorst en ik heb geen zin meer. Door niet omhoog te kijken, vergeet ik dat ik nog verder moet en ik beland in het moment; hoe zet ik mijn voeten neer? Hoe haal ik adem? Wat is het ritme van mijn stappen? Hoe plaats ik mijn voeten op de diverse rotsblokken? Hoe is mijn houding en praat ik vooral niet in mijzelf? Dit zijn essentiële checkups, die ik alleen maar bewust ben door 'boven' te vergeten. Ik laat de controle over het parcours los en opeens ben ik 'vrij'.
Ik voel me bovenaan gekomen echt gelouterd. Ik zweet minder, ben minder moe en kijk niet meer op tegen zo'n zware beklimming.
3. 8 April / op stap..
Het is een gek gevoel om op een bankje naast een Japanse tempel te zitten, een wit shirt aan te doen, wierook en een aansteker in het daarvoor bestemde vakje van je shirt te steken en een satijnen beschermhuls om een houten stok te binden, met daar overheen een bel.
Moet ik nou iets voelen? Ik ben geen machine. De Engelsen, zoveel accurater in hun omschrijvingen zeggen het al: it has to grow on me.
Ik voel wel een verbinding met dat absurde gevoel van 5 maanden geleden, toen ik met heftige emoties dat shirt uitdeed in de trein en wegvluchtte van dit alles. Ik deed het nog niet uit of ik voelde intense schuld. Naar wat? Niet naar mezelf, dat weet ik heel zeker. Ik weet alleen dat ik die pelgrimage en dat hele eiland erbij verwenste, terwijl ik tegelijkertijd wist dat ik terug zou komen, omdat ik het toen al miste.
En nu, nu ben ik er weer! Dezelfde tempel, dezelfde geur, de belletjes van de andere pelgrims. Zelfs de zon lijkt hetzelfde op mijn gezicht te voelen. Ik ben weer thuis. God, wat heb ik hier naar verlangd!
Maar ik ben nog geen pelgrim.
Ik ben ook geen echt Boeddhistisch type, of zo. Eerlijk gezegd doen deze tempels mij ook niet zoveel; zowel niet cultureel als spiritueel. Maar dat vind ik nou juist een groot voordeel. Geen cultuur-historische herkenning aub. Gewoon leeg en dan die creatieve intuïtie, zeg: verwondering.
Wanneer ik tempel 1 betreed, met de gebruikelijke buiging bij de poort, voel ik niets. Ik laat het maar wat gaan. Forceren levert niets op, dat heb ik vorige keer geleerd. Ik zet mijn rugzak en stok neer om de rituelen, die ik bij iedere tempel zal uitvoeren, te starten. Ik doe slechts een selectie uit deze rituelen, omdat sommige onderdelen mij niet aanspreken. Ik loop meteen naar de waterbak, waar je met een soort diepe pollepel water uit schept om je handen te wassen en je mond te spoelen. Dan loop ik naar de grote gong en laat hem klinken, zodat 'men' weet dat ik er ben. Vervolgens voer ik bij twee tempelgebouwen eenzelfde ritueel uit; eentje bij het gebouw van de hoofdgodheid - die bij elke tempel weer uniek is - en eentje bij een gebouw, waar Kobo Daishi - - de beroemde monnik die als inspiratie voor deze pelgrimage wordt gezien - is afgebeeld. Dat laatste gebouw is op het terrein van elke tempel die ik ga bezoeken. Ik steek bij beide gebouwen drie wierookstokjes aan en plaats ze in een mooie oude bokaal, laat een papiertje met mijn naam, datum en eventueel wens achter in een een metalen container, gooi wat geld in de bak en neem met gevouwen handen een moment van stilte in acht. Vervolgens verlaat ik het complex met weer een buiging bij de poort.
Als ik buiten sta en bij wijze van spreken de 1200 km en 45 dagen voor mij zie liggen in de stenen van de mij nu zo bekende straatsweg, hef ik mijn stok omhoog, laat hem hard neerkomen op de grond en loop direct met overtuigende stappen weg van de tempel. Ik heb deze kleine scène gezien in de film 'Gandhi', wanneer Gandhi aan de zoutmars begint. Ik vind dat altijd weer een heroïsch moment, zo lekker nuchter en vastberaden. Ik hoop dat iemand mij het heeft zien doen, maar ik denk het niet. Ik ben helemaal alleen met mijn 'precious ego'. En inderdaad, na 10 stappen sterft het geluid van belletjes, stemmen, de geur van wierook en oud hout - het 'tempelgedoe' - uit en ben ik opeens, langs een saaie autoweg, weer alleen. Met mijzelf. 45 dagen lang. Geen mensen langs de kant om mij toe te juichen, geen mysterieuze Japanse landschappen met mist en bloesem; gewoon een saaie autoweg. That's it.
Al na 30 minuten komt er een vrouw naar mij toe.
'Osettai, osettai!'. roept ze, terwijl ze zich haast.
Ik stop direct want dit is belangrijk. De 'osettai'. Wat is dat? Een osettai is een gift die je kunt geven aan een pelgrim. Dat gaat van mandarijntjes, snoepjes, hele lunchpakketten tot aan geld toe. Ik krijg deze keer een katoenen geldbundel. De bedoeling van osettai is helder en voor beide partijen levert het iets op. Ik heb er een leuk cadeautje aan - een mandarijn die gegeven is, smaakt veel beter, echt waar! - en de gever krijgt automatisch de attentie van de Big Guy himself, Boeddha. Want geloof het of niet, maar met dat witte shirt aan en die 88 tempels als doel, ben ik vanzelf een representant van Boeddha en wie mij iets geeft, geeft hem iets, omdat de pelgrim de gift meeneemt op zijn reis. Ten grondslag aan dit fenomeen ligt een wezenlijk verschil tussen de Aziatische en Westerse cultuur, die moeilijk uit te leggen is. De banden tussen 'ik' en de omringende wereld zijn minder sterk afgebakend in Japan. De gewaarwording van jezelf wordt meer ervaren binnen het gebied van de familie, de gemeenschap of het land. Jezelf daar los van zien, zoals bij ons, kan niet. 'Ik' en mijn omgeving zijn een eenheid in verantwoordelijkheid. Een andere ingang tot dit begrip gaf iemand onderweg - die zowel tot de Aziatische als Westerse cultuur behoort - mij. In religieuze zaken en rituelen legt een Westerling de nadruk op een 'persoonlijke' verhouding met het object van het ritueel. Dat is ook de kern van onze 'schuld-cultuur'. In Azie wordt deze scheiding minder vast ervaren en ligt de nadruk op het correct nakomen van het ritueel en andere gewoontes. Dit is de basis voor een 'schaamte-cultuur'.
Zoiets. Het intrigeert me en ik hoop er tijdens deze reis meer inzicht in te krijgen.
Afijn, het geldbuideltje dat ik krijg, ga ik meteen omdopen tot buidel voor de kleine Delft-blauwe kralen met tulpen en molens erop, die ik als cadeau voor speciale ontmoetingen heb meegenomen. Niet gebruikelijk, maar ook ik heb mijn Nederlandse 'osettai'.
Zo begin ik mijn eerste dag, die eindigt bij tempel 8, waar ik midden in de nacht voor het eerste in mijn leven op een tempelcomplex pies.
Moet ik nou iets voelen? Ik ben geen machine. De Engelsen, zoveel accurater in hun omschrijvingen zeggen het al: it has to grow on me.
Ik voel wel een verbinding met dat absurde gevoel van 5 maanden geleden, toen ik met heftige emoties dat shirt uitdeed in de trein en wegvluchtte van dit alles. Ik deed het nog niet uit of ik voelde intense schuld. Naar wat? Niet naar mezelf, dat weet ik heel zeker. Ik weet alleen dat ik die pelgrimage en dat hele eiland erbij verwenste, terwijl ik tegelijkertijd wist dat ik terug zou komen, omdat ik het toen al miste.
En nu, nu ben ik er weer! Dezelfde tempel, dezelfde geur, de belletjes van de andere pelgrims. Zelfs de zon lijkt hetzelfde op mijn gezicht te voelen. Ik ben weer thuis. God, wat heb ik hier naar verlangd!
Maar ik ben nog geen pelgrim.
Ik ben ook geen echt Boeddhistisch type, of zo. Eerlijk gezegd doen deze tempels mij ook niet zoveel; zowel niet cultureel als spiritueel. Maar dat vind ik nou juist een groot voordeel. Geen cultuur-historische herkenning aub. Gewoon leeg en dan die creatieve intuïtie, zeg: verwondering.
Wanneer ik tempel 1 betreed, met de gebruikelijke buiging bij de poort, voel ik niets. Ik laat het maar wat gaan. Forceren levert niets op, dat heb ik vorige keer geleerd. Ik zet mijn rugzak en stok neer om de rituelen, die ik bij iedere tempel zal uitvoeren, te starten. Ik doe slechts een selectie uit deze rituelen, omdat sommige onderdelen mij niet aanspreken. Ik loop meteen naar de waterbak, waar je met een soort diepe pollepel water uit schept om je handen te wassen en je mond te spoelen. Dan loop ik naar de grote gong en laat hem klinken, zodat 'men' weet dat ik er ben. Vervolgens voer ik bij twee tempelgebouwen eenzelfde ritueel uit; eentje bij het gebouw van de hoofdgodheid - die bij elke tempel weer uniek is - en eentje bij een gebouw, waar Kobo Daishi - - de beroemde monnik die als inspiratie voor deze pelgrimage wordt gezien - is afgebeeld. Dat laatste gebouw is op het terrein van elke tempel die ik ga bezoeken. Ik steek bij beide gebouwen drie wierookstokjes aan en plaats ze in een mooie oude bokaal, laat een papiertje met mijn naam, datum en eventueel wens achter in een een metalen container, gooi wat geld in de bak en neem met gevouwen handen een moment van stilte in acht. Vervolgens verlaat ik het complex met weer een buiging bij de poort.
Als ik buiten sta en bij wijze van spreken de 1200 km en 45 dagen voor mij zie liggen in de stenen van de mij nu zo bekende straatsweg, hef ik mijn stok omhoog, laat hem hard neerkomen op de grond en loop direct met overtuigende stappen weg van de tempel. Ik heb deze kleine scène gezien in de film 'Gandhi', wanneer Gandhi aan de zoutmars begint. Ik vind dat altijd weer een heroïsch moment, zo lekker nuchter en vastberaden. Ik hoop dat iemand mij het heeft zien doen, maar ik denk het niet. Ik ben helemaal alleen met mijn 'precious ego'. En inderdaad, na 10 stappen sterft het geluid van belletjes, stemmen, de geur van wierook en oud hout - het 'tempelgedoe' - uit en ben ik opeens, langs een saaie autoweg, weer alleen. Met mijzelf. 45 dagen lang. Geen mensen langs de kant om mij toe te juichen, geen mysterieuze Japanse landschappen met mist en bloesem; gewoon een saaie autoweg. That's it.
Al na 30 minuten komt er een vrouw naar mij toe.
'Osettai, osettai!'. roept ze, terwijl ze zich haast.
Ik stop direct want dit is belangrijk. De 'osettai'. Wat is dat? Een osettai is een gift die je kunt geven aan een pelgrim. Dat gaat van mandarijntjes, snoepjes, hele lunchpakketten tot aan geld toe. Ik krijg deze keer een katoenen geldbundel. De bedoeling van osettai is helder en voor beide partijen levert het iets op. Ik heb er een leuk cadeautje aan - een mandarijn die gegeven is, smaakt veel beter, echt waar! - en de gever krijgt automatisch de attentie van de Big Guy himself, Boeddha. Want geloof het of niet, maar met dat witte shirt aan en die 88 tempels als doel, ben ik vanzelf een representant van Boeddha en wie mij iets geeft, geeft hem iets, omdat de pelgrim de gift meeneemt op zijn reis. Ten grondslag aan dit fenomeen ligt een wezenlijk verschil tussen de Aziatische en Westerse cultuur, die moeilijk uit te leggen is. De banden tussen 'ik' en de omringende wereld zijn minder sterk afgebakend in Japan. De gewaarwording van jezelf wordt meer ervaren binnen het gebied van de familie, de gemeenschap of het land. Jezelf daar los van zien, zoals bij ons, kan niet. 'Ik' en mijn omgeving zijn een eenheid in verantwoordelijkheid. Een andere ingang tot dit begrip gaf iemand onderweg - die zowel tot de Aziatische als Westerse cultuur behoort - mij. In religieuze zaken en rituelen legt een Westerling de nadruk op een 'persoonlijke' verhouding met het object van het ritueel. Dat is ook de kern van onze 'schuld-cultuur'. In Azie wordt deze scheiding minder vast ervaren en ligt de nadruk op het correct nakomen van het ritueel en andere gewoontes. Dit is de basis voor een 'schaamte-cultuur'.
Zoiets. Het intrigeert me en ik hoop er tijdens deze reis meer inzicht in te krijgen.
Afijn, het geldbuideltje dat ik krijg, ga ik meteen omdopen tot buidel voor de kleine Delft-blauwe kralen met tulpen en molens erop, die ik als cadeau voor speciale ontmoetingen heb meegenomen. Niet gebruikelijk, maar ook ik heb mijn Nederlandse 'osettai'.
Zo begin ik mijn eerste dag, die eindigt bij tempel 8, waar ik midden in de nacht voor het eerste in mijn leven op een tempelcomplex pies.
Subscribe to:
Comments (Atom)